Aansluiting op de context in de vorm van stedelijke structuur, landschappelijke kenmerken en architectonische stijl is van belang voor de historische continuïteit en om hiermee een logisch verband te leggen tussen de omgeving en de ingreep. Door deze logische (natuurlijke) relatie ontstaat een ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving, die zich vertaalt in een gevoel van herkenning bij de gebruiker en een regionale of lokale identiteit aan het project.

In landelijk gebied of langs de randen van stedelijk gebied kan worden gekozen voor ontwerpen met nadruk op landschappelijke elementen zoals groen, water, bos en zichtlijnen. Hierbij is het landschap de drager van het ontwerp en is de bebouwing daaraan ondergeschikt.

    Binnen dit principe zijn verschillende uitwerkingen mogelijk:
  • Het omringende landschap doortrekken tot in het plangebied door middel van groene vingers, of doorgaande groene routes;
  • Waterpartijen die zijn aangebracht in verband met waterberging verder uitwerken tot aantrekkelijke gebieden en dragers van het ontwerp;
  • Langzaam verkeer routes door groen of langs water inrichten als continue groene lijnen met een schakelfunctie in het ontwerp;
  • Engelse, barokke of andere op de locatie toegesneden landschapsstijl als uitgangspunt voor een ontwerp;
  • Geen privé-buitenruimtes maar de landschappelijke context als gemeenschappelijke kwaliteit.